De heenrit

Voor alles bestaat een eerste keer en zo kwam ik dus ook eindelijk aan mijn eerste keer duiken toe. Ik had al wel een paar (drie) lessen in het zwembad achter de rug, maar die eerste keer in het diepe donkere water, dat leek me toch iets anders. Enorm enthousiast, maar ook behoorlijk zenuwachtig vertrokken we naar Stavenisse. De melding dat er een heuse supportersbus met daarin Gilles’ ouders, zus en grootmoeder mee kwam kijken naar die “eerste keer”, maakte het er niet veel beter op (alhoewel ik het uiteraard heel lief vond dat ze mij ook hierin wouden steunen). Tijdens de autorit werd uitgebreid verteld over wat ik allemaal mocht verwachten. Gilles beschreef de duikplaats De Slipway en Eddy wijdde me in in de wondere wereld van de mogelijk aanwezige fauna zoals schepjes (een soort slakachtige), sepia’s, krabjes, kreeften, harlekijnslakje en flora.

Na een korte stop op de camping in Stavenisse kwamen we aan op onze bestemming. Het zonnetje was ook aanwezig en de duikplaats zag er, alleszins vanop het droge, zeer aanlokkelijk uit. Maar ging dat ook zo zijn onder water? Ging het niet te koud zijn (het was maar 13 C°)? Slecht zicht? Ging ik geen last hebben van mijn oren? Duizenden vragen spookten door mijn hoofd. Soit, maar één manier om daar achter te komen.

Nog even aankleden…

In het zwembad voelde ik me al heel comfortabel in mijn vaste wapenuitrusting: badpak, zwemvliezen (of volgens het echte duikjargon: palmen), loodgordel, snorkel (aka tuba) en een bril. Maar vandaag kwam daar veel meer bij te kijken. Woensdag pastte ik al het natpak, duikschoenen, handschoenen en een extra vestje bij de moeke en voke. Nu was het tijd om dit effectief allemaal aan te trekken. Daar bovenop kwamen dan nog knielappen, een mes, lamp, een trimvest, ontspanner, 10 kilo lood en – niet te vergeten – twee luchtflessen. Wat ik had verwacht was waar: dit alles weegt veel! Als een zeehond in het zwart, helemaal gepakt en gezakt, bewoog ik me moeizaam naar het water.

En we kunnen te water gaan

Na een eerste schuchtere keer mijn hoofd onder water te steken, lichtjes koud water te voelen binnensijpelen en die verlossing van het gewicht op je rug dat eindelijk gewichtloos wordt, liep het helemaal los. Wat een heerlijke vrijheid. Direct zag ik tientallen krabjes wegkruipen en toonde de voke zich een ware watergids. Vlotjes bewogen we ons over de bodem dieper en dieper de Oosterschelde in. Allee ja vlotjes, als je de tientallen keren dat ik tegen de bodem plakte (sorry krabjes) of plots begon te stijgen (dank je voke om mij zachtjes terug naar beneden te trekken) niet mee telt. Ik had mijn trimvest en ontspanner duidelijk nog niet helemaal onder controle, maar dat deed geen afbreuk aan de waanzinnige ervaring. Met volle teugen genoot ik van al het moois dat de Oosterschelde en Eddy me voorschotelden. Van de krab die eerst probeerde weg te vluchten maar zich vervolgens toch stoer in aanvalshouding zette, de heremietkreeftjes die uit hun schulp kropen, een kreeft in zijn natuurlijke omgeving – toch net iets anders dan in die kreeftenbak in de viswinkel -, spinkrabjes, zeesterren tot uiteindelijk het schepje. Dat laatste komt blijkbaar toch pas voor op iets dieper dan 3 meter, maar daar had ik geen enkele last van. Oef, geen pijn aan de oren en totaal geen koud.

Na een uur duiken (wat precies maar aanvoelde als een half uurtje) kwam ik met een stralende glimlach boven water. Iedereen was blij dat het zo goed was gelopen en direct kreeg ik een bekertje cava in de handen om te klinken op die eerste – en zeker niet laatste – keer duiken. Nog even van het zonnetje genieten, een hapje eten in De Zeester en voldaan in de zetel nagenieten.